De liefhebbers

De liefhebbers 69 rot

Al meer dan twee uur zijn de renners elkaar aan het slopen. Het spel van prik en wederprik heeft ze stuk voor stuk uitgeput. De bidons zijn leeg, vocht sijpelt onder hun helm omlaag langs de binnenkant van hun donkere brilglazen. Hun troebele blik krimpt tot de wereld uitsluitend gedefinieerd wordt in de afstand tussen het uiterste puntje van hun voortube en de achtertube van hun voorganger.

In hun hoofd zijn de meeste renners al geklopt. De rest is ook al geklopt, niet in het hoofd maar in de benen. Voor hen zal de volgende versnelling te veel zijn, alleen weten ze het nog niet. Er is maar één renner, met witte trui in de spits van de wedstrijd, die nog niet geslagen is, niet in het hoofd noch in de benen. Het eindspel zal het zijne worden. De uitslag ligt al vast, alleen is er nog niemand die hem kent.

Op een verlaten uithoek van het parcours, te midden van grasweiden en borsthoge maïsvelden en verder niets, is een seingever al twaalf ronden lang getuige van de opening, het middenspel en nu het eindspel van de wedstrijd. Een oorlog ontvouwt zich voor zijn ogen in momentopnames, als een stop-motionfilm begrensd door een rode en een groene vlag.

De bestelwagen met de rode vlag beloont de seingever om de vier ronden met een vergoeding in natura. Het is dorstig avondweer. Het derde pintje zakt goudgeel en bitterzoet in een fond gevormd door twee eerdere pintjes en Doritos, voor de wedstrijd gegeten in het inschrijvingscafé. Zijn rechterarm wordt loom, de hand met het ronde stopbordje C3 zwaar. Geen wonder dat hij schrikt wanneer een stem hem uit zijn zomerse rêverie haalt.

“Ah, is ’t hier koers?”

Het kost hem een tel langer dan anders om zijn hoofd te draaien naar een oudere passant op een e-bike en te antwoorden, “Ja, van de liefhebbers.”

§

Ah, de liefhebbers. Het is een term die lijdt aan vergrijzing. Door het simpele gebruik ervan verraadt de seingever onmiskenbaar dat er onder zijn petje en zonnebril een veertiger schuilgaat, op z’n minst. Ergens na zijn generatie ligt een linguïstische breuklijn waarachter het woord in onbruik is geraakt. Op een dag, ergens in de jaren 1990, overschouwde het woord de verknipte lappendeken van de taal, zag weemoedig dat er voor hem geen toekomst weggelegd was, en pakte in stilte zijn koffers.

En zo komt het dat het woord, ofschoon in ere gehouden door een uitdunnende groep mannen die samen met het woord langzaam heuvelafwaarts trekken, weg van de loopgraaf in het midden van hun leven waar de liefhebbers ooit fier stonden, verouderd begint te klinken. Een reliek uit de tijd van buiscommandeurs en worstenhelmen. En verder nog, uit de tijd van twee tubes rond de nek, vaste pions en een scheut champagne in de bidon, toen de liefhebbers vol jeugd waren en op hun beurt terrein begonnen te winnen op de term die vóór hen kwam, “de onafhankelijken”.

Ik ben opgegroeid met een vader en grootvader die spraken over de liefhebbers; helaas denk ikzelf in de aromantische, haast klinische noemer “elites zonder contract”. Ergens besliste de wielerbond om de categorie renners, te oud geworden voor de jeugdreeksen en in afwachting van een profstatuut dat in de meeste gevallen nooit komt, de wijnrode romantiek van “de liefhebbers” te ontnemen en hen voortaan te vervloeken met een etiket dat geen passie maar een gebrek suggereert. Zonder contract.

Dat moest ik zelf pijnlijk ondervinden op een familiefeest, toen ik vertelde dat ik aan wielrennen deed. Bij de elite zonder contract. Dus niet echt bij de elites, merkte een oude man uit de generatie van de onafhankelijken fijntjes op. Het deed pijn. Want beminde ik de fiets niet even hartstochtelijk als de liefhebbers vóór me? Zozeer dat ik op een midweekse dag ergens in Vlaanderen een dozijn rondes van tien kilometer ging rijden, samen met en tegen meestal dezelfde streekrenners die elkaar in alle veiligheid konden slopen omdat ze op de uithoeken van het parcours voor tegemoetkomend verkeer behoed werden door licht bedwelmde seingevers die ons godzijdank nog zagen voor wat we waren: liefhebbers van de fiets.

§

En toch. Ik heb de liefhebbers niet altijd naar waarde geschat. Als kind, toen mijn vader en grootvader het woord in de mond namen, kwam het me erotisch getint, zelfs vunzig voor. Orgieën van mens en metaal, smeervet en rubber. De aanhef van het woord likte lang en schaamteloos langs mijn rode oortjes, de middelste lettergreep hijgde erin en de staart van het woord trok als een siddering omlaag door mijn lichaam. Brrrs. Een motor die stilvalt en nog even blijft natrillen, een kat die zich spinnend koestert onder het gloeiende koetswerk.

Pas veel later, wel op het droge aan deze zijde van de klamme plas van mijn puberteit, kregen de liefhebbers een nieuwe betekenislaag. Ik ging een echo horen van de tarotkaart van de geliefden. Het beeld van Adam en Eva, een vlammende boom, de slang en een engel boven de Hof van Eden.

Wat je in de Bijbel niet leest is dat, toen God Adam en Eva toornig uit de Hof bande, de engel met zijn vlammende zwaard meteen ook twee fietsen smeedde, zodat de eerste mensen zich tenminste wisten te verplaatsen. Adam en Eva gingen ieder huns weegs en doolden door berg en dal, eerst met een vaste pion, dan met buiscommandeurs en nog later met shifters. Sans papiers en zonder contract, maar in hun hart hunkerend naar hun andere helft.

De geliefden, het lijkt zo op een voltooid deelwoord dat het pijn doet. Loof, lief, geliefden. Eerst het loof en de liefde van Eden, daarna enkel nog vergeefs achteromkijken op de fiets, in de hoop dat degene die ooit geliefd werd volgt. Maar de geliefde volgt niet.

Ik hoop even vurig als de engel dat ze elkaar vinden in het land van berg en dal. Dat ze een manier vinden om hun fietsen om te smeden tot een tandem, want alleen met elkaars hulp vinden ze de weg terug naar het land van hun jeugd. Adam naakt voorop, een kaart met de fietsknooppunten op het stuur. Eva achterop, wetende dat geen kaartlezer feilloos is en hem met zachte hand sturend op cruciale kruispunten. Zeg Adam, was het hier niet naar links? Ja, ze heeft godverdju weer gelijk.

Ik hoop dat ze bij aankomst hun tandem kunnen parkeren tegen het hekje van Eden, door de poort gaan en, eenmaal gelaafd aan de vruchten van hun geboortegrond en de lange, getaande lendenen uitgerust, de engel zullen verrijken met straffe verhalen van hun omzwervingen, over oorlogen en liefhebberij, de rode vlag, de groene vlag en alles wat mensen daartussen doen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *