Zoeken naar het vuur

horizon

Het is er al jaren, ’s winters, ’s zomers. Niet altijd, maar als ik het zie is het altijd voor dagen na elkaar. Ik weet nog toen ik het voor het eerst zag: een pulserende oranjerode gloed aan de horizon, met in het centrum een vuur. Het was winter, de bomen waren kaal en uit mijn slaapkamer waren de vergezichten… nu ja, ver. Ik dacht: er staat een huis in brand. Of nee, zo’n gloed, dat moet een fabriek zijn die in lichterlaaie staat. Papier, textiel, brandstof of zo: de inhoud van de magazijnen is een weerloze prooi voor de vlammen.

De volgende avond moest ik mijn denkbeeld bijstellen: het vuur was er nog altijd, onverminderd in zijn intensiteit. Wat voor fabriek doet er meer dan vierentwintig uur over om volledig uit te branden? Wat voor brandweerkorps heeft zo lang nodig om een brand klein te krijgen? Sinds die dag, enkele jaren geleden, kijk ik af en toe naar de horizon, benieuwd of het vuur er is.

Meestal is het er niet, maar onlangs, toen de dagen het langst waren, zag ik aan de einder als een enorme, heidense ode opnieuw het vuur. Het licht was zo intens dat het nog de hele pastelgekleurde ochtend zichtbaar bleef en los door de bomen scheen die nu volledig in bloei stonden. Ik werd bevangen door de oude vraag: wat is het? Wat is de bron van het licht? Nu liet het me niet meer los en bleef de vraag de hele dag in volle hevigheid branden. 

Later stond ik, net voor zonsondergang, op de drempel van een van de slapeloze nachten rond de zomerzonnewende, wanneer het leven zo krachtig is dat het nooit tot stilstand komt maar gewoon door de korte nacht heen walst. Met mijn hoofd uit het hoge badkamerraam merkte ik dat het vuur me in geluidloze, hemelshoge pulsen gehypnotiseerd had. Plots was ik herleid tot een insect waarvoor de wereld op een zomeravond krimpt tot niet meer dan een lichtbron en een impuls.

En dus zette ik lampjes op mijn fiets en vertrok. Al meteen bleek het licht op de begane grond weinig of niet zichtbaar. Ik gebruikte ijkpunten zoals de volle maan en ging op zoek naar de hoogste punten in de buurt. Ik zag niks meer. Na een uur gaf ik het op en keerde redelijk beteuterd naar huis. Maar toen ik mijn straat inreed en omkeek, zag ik dat de oranje gloed nu als een baken de nacht verlichtte. Zou ik? Het was intussen bijna elf uur, maar mijn nieuwsgierigheid – of was het koppigheid? – deed me in de remmen gaan, mijn kar keren en terug vertrekken.

Dit ging een stuk gemakkelijker! Doelgericht fietste ik nu op de vuurhaard af, bij elk kruispunt kiezend voor de weg die het meest de richting van het schijnsel benaderde. Boven bomen en huizen bleef ik glimpen opvangen van mijn bestemming.

Door Malderen en Lippelo bleef ik min of meer op koers. Ik stak de steenweg over en in de open velden erachter zag ik dat ik nu nog door één bosje gescheiden werd van de gloed, die machtig opdoemde boven de boomtoppen.

Wanneer de nachten op hun kortst zijn, is het nooit echt donker. Ook na elven was er nog licht genoeg om een rookpluim in de lucht te zien. Ik kwam een ander vuur tegen op mijn weg. In Sint-Amands stonden joelende jongeren om huizenhoge vlammen. Ik bleef even staan kijken, gefascineerd, maar dit was niet wat ik zocht. Ook al straalden de vlammen zo hevig dat ze tientallen meters verder mijn gezicht verwarmden, het was een flauw afschijnsel tegen mijn werkelijke bestemming, die verderop de nacht bleef verkleuren. Nu was ik er heel dicht bij. Het is in Oppuurs! besefte ik.

Wat zou ik er vinden? Mensen die midzomer vieren rondom een vuur? Trommels en extatische dans? Zou ik meedoen? Jazeker. Maar de nacht was nog stil en het vuur brandde even geluidloos als anders. Geen trommels dus? Een kampvuur op een dorpsfestival dan? Maar waar is de muziek en de geur van wafels? Nog een prozaïscher oorsprong – een verbrandingsoven of schoorsteen op een industrieterrein? Ik kon de humor er wel van zien: een oeroud, opwindend ritueel beloofd worden, visioenen van eigentijdse indianen die hun signalen de nacht insturen voor wie deel wil worden van hun feest van licht – en plots voor een hek belanden aan het eind van een doodlopende straat in een industriezone, zien dat mijn heilige vuur een bijproduct is van een fabriek waar condooms of hoestsiroop wordt gemaakt. Haha, heel grappig, beste kosmos.

De laatste bossen voorbij bleek het vuur alweer niet waar ik het had verwacht. Als een wortel bleef het oranje en onbereikbaar voor mijn neus bungelen in de nachtlucht, en ik liet me als een pakezel leiden. Leiden door Bornem, over de rijksweg en recht het industriepark in – ’t zal toch niet waar zijn zeker? Maar nee, verlossing kwam er nog altijd niet, prozaïsch noch lyrisch. De vuurhaard bevond zich nóg verder.

Ik was ondertussen in Hingene verzeild. De bomen op het kasteeldomein d’Ursel onttrokken het schijnsel aan het zicht, een stampvol café in het dorpscentrum braakte lichthoofdige jeugd uit op de stoep.

Ik begon mijn onderneming serieus in vraag te stellen. Het was onderhand kwart voor één en ik leek stilaan meer kans te maken om aangereden te worden door een beschonken nachtbraker dan om de bron van mijn vuur te vinden. Ik reed op een schijnbaar eindeloze kasseiweg steeds meer omlaag, en besefte dat ik net omhoog moest om ook maar uitzicht te behouden op de vuurgloed. Bergafwaarts dokkerend voelde ik dat ik afdaalde in de donkere nacht van mijn ziel: misschien kwam ik lichamelijk steeds dichter bij het vuur, maar mijn geest had het gehad.

En dus legde ik me neer bij het niet-weten. Ik keerde mijn fata morgana de rug toe en we fietsten in de koele nachtlucht naar huis, ik en mijn schaduw, die ik onbewust had meegenomen op de fiets. Nu pas toonde hij zich, naast me op het voorbijtrekkende asfalt en macadam, in het amberkleurige licht van de straatlampen en de volle maan. En misschien ook in het licht van mijn onontdekte vuurhaard, die ik als een onvervulde belofte nog voelde blazen in mijn rug.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *