De Spaanse koning, de vijg en het levenswiel

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd op Bicycletta.be (28/7/2016)

 

Een karavaan zwemt in luchtspiegelingen de bergflank op. Het zijn wielrenners. Ze lijken haast te verdampen. Helemaal achteraan vervloekt een renner de verzengende hitte. Hij kijkt geslagen naar de grond en ziet aan zijn schaduw dat de spaken van zijn voorwiel steeds trager gaan, dreigen met complete stilstand. Hij begrijpt het niet, twijfelt of zijn been wel in staat is om de volgende trap te geven. Gaat hij vallen?

Dit is het dode punt bovenaan het rad. Het is juli en het jaar balanceert op zijn toppunt. Voor een moment staat het leven volkomen stil. Het gesmolten asfalt stolt in overlangs getrokken sporen. Beneden in de vallei stopt een vijgenboom met ademen. De takken hangen zwaar door en zuchten.

De dag is volmaakt en hoogrijp; hij is met vaste, kundige hand gemaakt van zeldzame perfectie. Maar zoals alles wat door een hand gemaakt is, heeft de dag een naad. Het is aan die naad dat de tijd even blijft hangen.

Wanneer de tijd zich met een schok opnieuw in beweging zet, doet ze een vijg uit de boom vallen. Ze raakt een stamgast van het naburige café vol op de baret. Hij heet René en de petanquebal die hij op dat moment in het jeu de boules mikt, verandert van koers en rolt tergend traag langs het doel. René geneert zich niet gauw, en een smakelijke “meeerrrde” rolt tussen de natuursteen huizen rond het plein.

Niemand vermoedt dat de rijpe vrucht gevallen is toen het rad opnieuw in beweging kwam, en zo in een oneindige en onomkeerbare stroom de loop der gebeurtenissen verandert. René, de gedoodverfde winnaar van het spel, verliest kansloos van zijn overjaarse vrienden, die hem met een goedmoedige lach en een schouderklopje te kennen geven dat ze de dramatische ontknoping van het spel best kunnen smaken. Ze gaan terug de koelte van het café in, bestellen pastis en kijken naar de ontknoping van de bergetappe die ze een uurtje eerder hadden verlaten voor een jeu de boules.

Het is op dat moment dat ook de loop der gebeurtenissen in mijn leven oneindig en onomkeerbaar verandert. Het is een lome julidag in 1992 en in Vlaanderen, duizend kilometer ten noorden van het petanquepleintje, waar een deus ex machina haar opwachting maakt in de vorm van een vijg, staat het leven voor een even volmaakt moment stil.

Ik ben negen en zit in kleermakerszit bovenop de middelste letter van dat palindroom. Het speeltapijt dempt als mos de zachte indruk van mijn handen. Ik ben de koning die in het centrum van zijn universum de speeltafel dirigeert. De autootjes staan stil en de wereld is geluidloos. Dan voel ik het gebeuren. Mijn ademloze wereld wordt verstoord door een zachte rimpeling, als een kras op een gave videotape die het beeld even over het tv-scherm laat rollen.

Ik kijk verbaasd op naar mijn vader, benieuwd of ook hij de naad in ons leven heeft gevoeld. Ik volg zijn blik en weet dat het rad beweegt. Zo-even was ik nog een kind, mijn blik naar binnen gekeerd in het spel. Nu dwalen mijn ogen naar de buitenwereld, volg ik de blik van mijn vader en zie renners op het tv-scherm.

Ik vraag wie de zwartharige man in die witte trui met regenboogmotief is. Bugno, luidt het antwoord. Misschien hebben de coureurs net als ik gevoeld dat het rad steeds vertraagde tot het een moment stilstond, en ik vraag me af wat voor krachtinspanning het gevergd heeft om dat dode punt te overwinnen.

Gianni-Bugno-Champion-du-Monde-1991-et-1992-3e-en-1990

Van de rest van die etappe herinner ik me niets meer. Ik neem aan dat ze, net als de meeste bergetappes in de Tour, een smeltpot was van hitte, asfalt en zweet. Misschien keerde mijn aandacht wel terug naar het speeltapijt. Ik herinner me ook niets meer van rest van die Tour, de rest van die zomer, de rest van de eerste trage neerwaartse trapbeweging van het rad.

Maar de loop der gebeurtenissen in mijn leven was oneindig en onomkeerbaar veranderd. Het zaad was geplant. Toen de Tour van 1993 begon, zat ik niet meer op het speeltapijt, maar aan de salontafel, met een tourgids opengeklapt voor me en een pen in de hand. Ik was geveld door de wielermicrobe. Tussen de Tour van ’92 en die van ’93 had ik me bijgeschoold. De traditie, de gebruiken, de renners, de ploegen, … er was zo veel te leren en gulzig werkte ik alles naar binnen.

In 1993 bouwde Miguel Indurain aan zijn derde touroverwinning. Hij was in het perfecte middelpunt van zijn rijk, op het toppunt van zijn macht. Dijen gespannen als kabelbanen dreven hem de bergflank op. Het zachte wiegen van zijn heupen bezwoer de wereld. Hij was een spin en de Tour was zijn web. Met zijn gif verlamde hij de tegenstand. Hij suste het peloton in slaap en nog drie zomers lang sliep ik gewillig mee.

Door Eric Houdas

Foto door Eric Houdas

Drie zomers die stuk voor stuk eindeloos zijn, dat is een lange tijd voor een kind. In een tijdloos universum dat bestaat uit een salontafel, een tourgids, een tv en een vaal kantgordijn als koele sluier voor de wereld gaat een kind dan denken dat het altijd zo geweest is en altijd zo zal zijn.

Ik had nooit iets anders gezien. Delgado en Roche, dat was voor mijn tijd. De vete tussen Lemond en Fignon was nog een blinde vlek op mijn pasgeboren wielerbrein, en Hinault was prehistorie. Begin jaren negentig was de Tour je reinste Gary Lineker: een stuk of tweehonderd renners fietsen door Frankrijk en op het eind wint Indurain.

Commentatoren en wielerliefhebbers vonden het saai, maar ik heb me geen moment verveeld. Ik aanvaardde het als dag en nacht. Indurain in het geel, dat hoorde zo.

Juli 1996. De man die de vijf zomers daarvoor de tegenstand overvleugeld heeft, trapt plots het kleinste verzetje en komt nauwelijks vooruit. Riis wint de Tour. Festinarenners kapen een paar ritten weg. In één klap wordt de Tour gedevalueerd tot een wedstrijd die door verschillende renners, gewone stervelingen gewonnen kan worden. Zelfs door een schuimbekkende Deen. Ik word hard geconfronteerd met een onzekere realiteit.

Juli 2007. De regisseur spot in de menigte bij de start van de proloog een bekend gezicht. Inzoomen. Het is Indurain. Onder donkere noord-Spaanse wenkbrauwen kijkt hij minzaam om zich heen. Tussen de officials en hoogwaardigheidsbekleders die zich blauw hebben betaald om de Tour naar hun stad te brengen, is Indurain de enige die met een onbestemde, ondoorgrondelijke glimlach soevereiniteit uitstraalt. De koning staat tussen het volk en kijkt gedachteloos naar het startpodium, de troon die vijf jaar lang de zijne was. El Rey is terug. Hij draagt een vip-pasje rond de nek.

Juli 2016. Een karavaan zwemt in luchtspiegelingen een bergflank op. Het zijn renners. Andere kleuren, andere fietsen, maar nog steeds renners. Beneden in de vallei waagt een vijg zijn zondeval. Een kind kijkt met nieuwe ogen naar de wereld.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *