Oude vlechten

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd op Bicycletta.be (1/9/2016)

 

Ik was nog een kind. Waar mijn vader ging, volgde ik, zoals kinderen dat doen. Zo kwam het dat ik hem op een zondag, op bezoek bij mijn grootouders, volgde naar de werkplaats van zijn vader.

Het was avond; het licht viel in een schuine kolom op de stofdeeltjes die er in het luchtledige tegen elkaar hingen te fluisteren.

Toen werd ik deelgenoot van een codetaal van rayons en janten. Ik heb mijn grootvader, die zijn brood verdiende als velomaker, nooit het woord “spaak” in de mond horen nemen.

Die avond gingen de grote mannen een fietswiel centeren. Dat wist ik toen niet; mijn volwassen zelf heeft die overtrek van kennis pas veel later over de herinnering gelegd.

Mijn grootvader legde het wiel horizontaal in de bankschroef en bezwoer de velg tot ze recht liep. Een tikje hier, een slagje daar – voor een kind was het wonderlijk. Zijn benige, vlugge vingers liepen trefzeker als een spin over de gespannen spaken. Ik wist niet wat hij deed, maar ik besefte dat een ambacht zich in al zijn vanzelfsprekendheid voor mijn ogen ontvouwde. Zoals een pottenbakker zijn klei centreert, zo zette mijn grootvader het metaal eenvoudig naar zijn hand.

Het was magie. Alleen al hoe mijn vader en grootvader spraken over “een wiel vlechten”, dat deed dromen van vlasblonde zomers, werken op het veld, ’s avonds huiswaarts op de fiets. Werk dat generaties overleeft.

Toen mijn grootvader ruim tien jaar geleden overleed, erfde ik de bankschroef en de werktafel.

Het onafwendbare is vandaag gebeurd: ik heb mijn eerste wiel gevlochten. Het is niet volmaakt recht. De spaken van een perfect gespannen wiel laten zich bespelen als een harp. De snaren hebben allen dezelfde toonhoogte. Maar mijn wiel is niet perfect gestemd; het heeft hier en daar een dissonant.

Er zijn machines die het veel beter, sneller kunnen. Maar imperfectie heeft zijn eigen schoonheid. En een ambacht is als een schuwe hinde: ze laat zich alleen in al haar pracht zien aan wie haar benadert in ongehaastheid.

Tijdens het werk hoor ik de metaalachtige echo’s van die zondagavond. Een galm die decennia onhoorbaar is blijven kaatsen en weerkaatsen in de tunnels van de tijd, vindt nu een uitweg langs de spaakgaten in mijn velg. Wanneer ik klaar ben, ga ik staan, achteraan een rij van honderden, duizenden wielbouwers aan het werk vóór mij, tot de Industriële Revolutie, en verder nog, tot in Soemerië. Ik kijk over hun schouders, zo ver mogelijk terug in de tijd. Ergens in die rij van hand tot hand doorgegeven traditie moet mijn grootvader staan, gebrild en nog ruikend naar smeervet, zoals in mijn herinnering. Ik kan hem niet zien, maar ik hoor hem nog, in de muziek van mijn wiel.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *